cover.jpg

Het Aaftink

Van keuterboer tot noaberboeren

Aan de Aaftinksweg 7 ligt, enigszins verscholen achter een bos, erve het Aaftink, dat inmiddels ruim een eeuw tot landgoed Het Lankheet behoort. Sinds het voorjaar van 2023 zijn hier de Noaberboeren Het Lankheet actief. Het Aaftink als boerenerf bestaat al ruim 5 eeuwen. De Noaberboeren hebben dus heel wat voorgangers gehad. Dit verhaal gaat over de geschiedenis van het Aaftink in de buurschap Langelo, de buurschap die het best bewaarde oude cultuurlandschap in de gemeente Haaksbergen herbergt.

Het Aaftink is om meerdere redenen een uniek erf. Ten eerste is de boerderij zelf uniek in haar verschijningsvorm en daarom ook een gemeentelijke monument. De huidige boerderij is van het krukhuistype (L-vormige plattegrond) en gedateerd 1876 en later (een aantal gebinten in de boerderij zijn van voor 1876, maar dit kan hergebruik zijn). Op het erf staan twee karakteristieke bijgebouwen, namelijk een schuur (schöppe) en een vrij groot bakhuis, met daarin behalve een oven ook een kelder voor de aardappels. Ten tweede is het landschap rondom het erf nog vrij ongeschonden. Het kleinschalige kampenlandschap bleef hier door de landgoedstatus zo goed als behouden. En sinds dit voorjaar is het erf ook uniek door haar nieuwe bestemming als biologische boerderij met de coöperatie Noaberboeren. Gertjan en Sabine Stokkers-Stegeman gaan op het Aaftink op een biologische wijze de bedrijfsvoering beheren en inrichten. Van de 20 ha die de familie Stokkers pacht van Het Lankheet, pacht Noaberboeren daarvan op dit moment 2,5 ha. Gertjan Stokkers is geboren en opgegroeid op het biologische melkveebedrijf ’n Pol in Boekelo. Hij wordt samen met collega-boer en tuinder Stefan Fokkink door Noaberboeren ingehuurd.

Alle begin is moeilijk, bewijst ook erve het Aaftink. De oudste vermelding van het erf laat weten dat het een kleine boerderij was, een zogenaamde kate of kotter oftewel een keuterboer, die door hard werken een bestaan moest opbouwen en zich moest beschermen tegen ramp en tegenspoed. De toenmalige boeren werkten niet middels een project Noaberboeren, maar zullen wel regelmatig de noabers (buren) hebben ingeschakeld voor hulp bij werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld het oogsten en andersom zullen de noabers ‘Aaftink’ om hulp hebben gevraagd. Dit noemen we de ongeschreven noaberplicht.

Het Aaftink is vermoedelijk in de late Middeleeuwen ontstaan. In het Schattingsregister van Twente uit 1475 wordt het erve niet genoemd. De oudste vermelding vinden we in een rekening van de rentmeester van de bisschop van Utrecht en dateert uit 1493/94, waarbij het ‘kate Avekyngh’ wordt genoemd. Een kate of kotte betekende oorspronkelijk een kleine boerderij. De pacht van het Aaftink moest worden afgedragen aan de Hof te Langelo. Dat blijkt ook uit een bron uit 1556, waarbij over het Aaftink het volgende is genoteerd: “als een coote (kotter) tot den Hoff Langeloo gehoorich”. Het Aaftink blijkt hofhorig onder deze verderop gelegen hof te zijn. In de verpondingsregisters van Twente van 1601 en 1602 komt het Aaftink als volgt voor: 1601 Item, Affkinck, ein halff erve, bekent an boulande to hebben 2½ mudde roggen gesaith landes myn ein scheppell, an hoygrunde ein foeder hoygewass, gift dorvan an pacht 7 daler, 2 mudde roggen ot enden und dem bloittenden. 1602 Aftynck, 1 half erve, 4 mudde gesey.

Het Aaftink is dan een half erf. Dat wil zeggen dat het halfgewaard was en daarmee een half stemrecht had in de marke Langelo. Omliggende erven als Kleinsman, de Hof te Langelo en het Dijkhuis waren volgewaard. De boerderij had in 1601 2,5 mud bouwland en 1 voer hooiland. In 1602 was er 4 mud bouwland. Dat is omgerekend ruim 2 ha. De gemiddelde grootte van het bouwland per erf in Twente bedroeg toen 4,22 ha. In Haaksbergen waren de bedrijfsgroottes rond 1601/02 ongunstig. De oorzaak hiervan is dat alle buurschappen hier flink te lijden hebben gehad van de Tachtigjarige Oorlog (tegenwoordig de Nederlandse Opstand genoemd).

De oudst bekende bewoner is Herman Aaftink, die in 1626 genoemd werd. In bronnen uit de 18e eeuw komt de erfnaam bijna consequent voor als Aaftink en onder deze naam staan ook de bewoners in de bronnen vermeld. In Oost-Nederland ontleenden mensen hun achternaam aan de boerderij waar ze woonden of geboren waren. Als een man introuwde op een boerderij waar als opvolgster alleen een dochter was, kreeg hij dus de familienaam van zijn vrouw en dat gold ook voor hun kinderen. Eind 17e eeuw was Geert Aaftink de boer op het erf. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Aaftink die in 1701 huwde met Geertjen Bots uit Rekken. Na haar overlijden hertrouwde Hendrik in 1708 met Stijntjen Loomans uit Ahaus. Hendriks zoon Garrit werd de volgende pachter van het Aaftink.

Wat betekent nu de naam Aaftink? Het Aaftink is een mooi voorbeeld van een naam met de uitgang -ink, dat behorend tot of zoon van betekent. Taalkundige Hekket noemt in zijn boek ‘Oostnederlande familienamen’ drie erven met die naam, waarvan twee in Twente, namelijk Langelo en Elsen bij Markelo. De naam Aaftink zou van de vleinaam Avico afkomstig zijn of de Germaanse voornaam Aafko of Avo en behorend bij Ave. Hij zegt ook: “Over de oorsprong van de naam bestaat onzekerheid” en daar zullen we het voorlopig mee moeten doen.

Tot 1733 had het Aaftink dezelfde eigenaren als de Hof te Langelo en erve Kleinsman. Vanaf 1687 waren dit de families Van der Sluis en Ripperda van het Huis Weldam gezamenlijk. Sinds 1733 was alleen het Huis Weldam eigenaar van het Aaftink. Bij de Volkstelling van 1748 worden de bewoners van het erf in Langelo opgesomd: “Aaftink en vrouw, 2 kinders onder 10 jaar en een broers kind boven de 10 jaar en een onder de 10 jaar, en de moeder als meijd en nog een meijd en knegt”. Het gaat hier om Garrit Aaftink, die in 1743 huwde met Anna Boink uit Baerle onder Wullen in het Duitse achterland. Zij hadden toen twee kinderen: Hendrik (1744) en Berend (1746). Garrit en Anna hadden ook de zorg over een kind van Garrits broer Jan. Het gaat hier om Geertjen (Geertruid) Aaftink, geboren in 1734. Zij huwde in 1778 met Hendrik ter Weele van boerderij de Moelvis in Brammelo (nu fam. Noordink, Mentinksweg 8). Hun zoon Jan Hendrik ter Weele zou uiteindelijk het boerenbedrijf op het Aaftink voortzetten.

De familie Aaftink was dus vanaf 1733 pachter van de familie Ripperda op kasteel Weldam, maar dit duurde geen eeuwigheid. De laatste Ripperda stierf enkele jaren later kinderloos, waarna Weldam in 1751 vererfde op Unico Wilhelm, graaf van Wassenaer-Obdam, Heer van Twickel (de componist). Hierna vormden Weldam en Twickel tot 1877, qua eigendom, een personele unie. In 1877 huwde een dochter ‘van Twickel’, Maria Cornelia, baronesse van Heeckeren-van Wassenaer (1855-1912), met Willem Carel Philip Otto, graaf van Aldenburg-Bentinck (1848-1912). Zij kreeg bij haar huwelijk landgoed Weldam, inclusief het Aaftink. In 1911 omvatte het landgoed 1900 ha grond met 65 boerderijen en 22 andere gebouwen. Na het overlijden van zijn beide ouders in 1912 ging het eigendom van landgoed Weldam over op hun zoon Frederik George Unico Wilhelm, graaf van Aldenburg-Bentinck (1888-1942). Marken hebben in Oost-Nederland een grote rol gespeeld bij het heersende landbouwsysteem en de vorming van het landschap. Een marke was van oorsprong een vereniging van eigenaren van de boerderijen in één of meer buurschappen (in dit geval de buurschap Langelo) die het beheer van de gemeenschappelijke gronden regelde. Veelal ging het om heide en veengronden, die men vlak voor het einde van de marken vaak woeste gronden noemden, maar voorheen onmisbaar waren voor de Twentse landbouw. Het aandeel van een eigenaar in de marke werd een waar of waardeel genoemd. De marke hield de vergaderingen, holtinks genoemd, op een vaste boerderij die deel uit maakte van die marke. Alleen de eigenaren van de gewaarde erven, ook goedsheren genoemd, waren gerechtigd aan deze vergaderingen deel te nemen. De marke Langelo vergaderde op de Hof te Langelo (nu famillie Wesseldijk, Aaftinksweg 13). Namens het Aaftink nam het Huis Weldam (en later Twickel) deel aan de markevergadering, maar namens dit erf had de goedsheer maar een half stemrecht. Voorzitter van de holtink was de markerichter en dat was in Langelo een vertegenwoordiger van de eigenaar van de Hof te Langelo.

De meeste marken hielden in de 19e eeuw op te bestaan. De marke Langelo bestond tot 1862, waarna er een verdelingsplan van de gezamenlijke markegronden werd opgesteld. Dit plan werd eind 1862 goedgekeurd, waarna tot verdeling kon worden overgegaan en de eigenaren van boerderijen soms vele hectares heidegronden (veld) aan hun grondbezit konden toevoegen.

Tot 1874 had het Aaftink de volgende bewoners. Hendrik en Berend Aaftink, de twee zonen van Garrit en Anna Aaftink, hadden het boerenbedrijf van hun overleden vader overgenomen. Beiden bleven ongehuwd. Bij de Volkstelling van 1795 deed hun moeder Anna Aaftink “bouw vrouw op ’t Erve Aaftink” de opgave van het aantal personen dat op het erf woonde. Dit waren zeven personen. Naast de familieleden was er natuurlijk ook personeel. Hendrik en Berend werden allebei 68 jaar oud. Hendrik overleed in 1813 op het Aaftink. Zijn overlijden werd aangegeven door de ‘gebuuren’. Dit waren de metselaar Luiken Oostendorp (van ‘de Metselaar’, nu Ter Braak, Eibergsestr.) en de daghuurder Jan Kleinsman (‘de Rommeler’, een verdwenen boerderijtje op de plek aan de Eibergsestraat waar sinds 2003 een markepaal is herplaatst). Hendrik Aaftink was vele jaren de boerrichter van de marke Langelo geweest. Een boerrichter regelde zaken die de buurschap aangingen, maar veelal was het de ‘loopjongen’ voor de markerichter. Berend Aaftink overleed in 1815. Zijn overlijden werd aangegeven door Hermannus ter Haar, ‘bouwman op Langelo’ en de bouwman Jan Hendrik Laarveld “beide in de buurschap Langelo woonende, zijnde nabuuren van den overledenen”.

Hendrik en Berend hadden de laatste jaren van hun leven steun gehad van hun ‘neef’ Jan Hendrik ter Weele (1782-1856). Hij was geboren op ‘de Moelvis’ in Brammelo en de zoon van Geertjen Aaftink. Deze Geertjen groeide op als de zus van Hendrik en Berend, maar was feitelijk hun nicht. Jan Hendrik werd vanaf 1815 ook de nieuwe pachter op het Aaftink. Hij was in 1813 gehuwd met Hendrica Laarveld, geboren op het erve Laarveld (nu fam. Wijlens, Laarveldsweg 13). Jan Hendrik en Hendrica kregen drie kinderen, waarvan alleen het tweede kind Bernardus volwassen werd. Bernardus ter Weele (1821-1874) werd opvolgend landbouwer op het Aaftink. Hij bleef echter ongehuwd. De laatste jaren van zijn leven runde hij de boerderij met een aantal dienstknechten en -meiden. Bernardus was de laatste afstammeling van de Aaftinks, die boer op het Aaftink was. Na zijn overlijden in augustus 1874 kwam er een eind aan de erfopvolging binnen de familie. In december1874 kwam er een nieuwe familie als pachter op het Aaftink.^In 1832 trad het Kadaster in werking. Eigenaar van het Aaftink was op dat moment Maria Cornelie van Wassenaer Obdam, vrouwe van Twickel te Delden. De totale hoeveelheid grond die bij het Aaftink hoorde bedroeg toen ruim 31 ha en dat was veel voor een halfgewaard erf. De eigenaren uit het verleden, uit de tijd dat zij ook de Hof te Langelo bezaten, zullen hierbij een rol hebben gespeeld. Zij zaten qua markebestuur dicht bij het vuur. Totaal ging het in 1832 om ruim 18 ha cultuurgrond, betreffende tuin, bouw-, wei-, gras- en hooiland. De overige grond bestond uit bos, hakhout en heide.

In december 1874 trad het tijdperk Van Hummel aan op het Aaftink. De nieuwe pachter werd Jan van Hummel (1819-1898), die met zijn tweede vrouw Jantjen Woestenenk en negen kinderen vanuit de buurschap Mossel in de gemeente Vorden naar Langelo verhuisde. Jan van Hummel woonde aanvankelijk met zijn eerste vrouw in Epse in de gemeente Gorssel. Hij was behalve dagloner en landbouwer ook een tijdlang rijksveldwachter geweest en kwam als gepensioneerd diender naar Haaksbergen. Enkele weken na de verhuizing overleed het jongste kind Albert van Hummel op 1-jarige leeftijd. Daarna werden er op het Aaftink nog twee kinderen geboren, waarvan er in 1882 een als peuter stierf. In de periode 1880-1884 werd de familie getroffen door rampspoed, doordat ook drie jongvolwassen zonen Van Hummel achter elkaar stierven. Jan Antonij van Hummel (1867-1962), een zoon uit het tweede huwelijk, volgde zijn vader op als pachter van het Aaftink. Hij huwde in 1897 met Frederika Johanna Arfman uit Borculo en na haar overlijden in 1907 met Gerritdina Burgers uit Eibergen. Uit het eerste huwelijk werden zes kinderen geboren en uit het tweede vijf. Uit beide huwelijken overleed een kind op jonge leeftijd.

De familie Van Hummel kreeg het de eerste jaren in Langelo toch al zwaar voor de kiezen. Door onbekende oorzaak raakte de boerderij op 21 september 1876 in brand. Hierover schreef de krant: “Gisteren namiddag omstreeks 4 uur is de bouwmanswoning op het erve Aaftink te Langelo, toebehoorende aan de erven van wijlen baron van Heeckeren van Wassenaer en bewoond door J. van Hummel, totaal afgebrand. Naar men verneemt, was niets tegen brandschade verzekerd”. Na de herbouw ontstond de huidige boerderij, waarvan de sluitsteen (boven de niendeur) het jaartal 1876 vermeld.

In 1883 maakte de metselaar/aannemer B. Langezaal uit Haaksbergen voor de eigenaar een “plan voor de bouw van een bakhuis op het erve Aaftink”. Het betreft de bouw van het huidige bakhuis, waarin naast een oven ook plaats was voor “een keldertjen voor aardappelen”. In de open ruimte hiervoor stond later een fornuispot. De huidige boerderij kent zeven stuks gebinten met gebeitelde telmerken. Telmerken zijn merken die de timmerlieden aanbrachten om het gebint perfect te kunnen monteren op de bouwplaats. Beitelmerken zijn relatief jonge merken, die vanaf eind 18e eeuw/begin 19e eeuw werden toegepast. Het voorkomen van beitelmerken op de gebinten van boerderij het Aaftink passen dus bij een in de 19e eeuw herbouwde boerderij. Het woninggedeelte kent een schouw met fraaie tegels. Het meest bijzondere element is hier de gietijzeren haardplaat met bovenaan het opschrift: TWICKEL. Vermoedelijk is deze geplaatst bij de herbouw van de boerderij in 1876, toen landgoed Weldam nog net vanuit kasteel Twickel werd geëxploiteerd. Van de 65 boerderijen van landgoed Weldam lagen er twee in Haaksbergen, het Aaftink en erve De Wilder, Laarveldsweg 19. Ze lagen een behoorlijk eind buiten de kern van het eigenlijke landgoed in Kerspel Goor. Dit zal een rol hebben gespeeld in de beslissing van Graaf Bentinck om de twee erven te verkopen. De publieke verkoop vond in 1919 plaats in het café Spoorzicht van H.W. Eijsink (nu Hema, Spoorstraat 38). Op 14 oktober vond de veiling bij inzet plaats “van twee vruchtbare boerenerven genaamd “Wilderink” en “Aaftink” gelegen in de buurtschap Langelo onder de gemeente Haaksbergen, benevens van eenige perceelen weiland (vloeiweide), dennenbosschen, heide en hakhout; te zamen groot 93 hectaren 13 aren en 30 centiaren”. Totaal ging dus om een grondbezit van ruim 93 ha. De veiling van deze grond geschiedde in 33 percelen, welke afzonderlijk door diverse personen, meest agrariërs, werden ingezet. Perceel 23 omvat, volgens de veilingcatalogus, het erve Aaftink “bestaande in huis, schuur, bouwland, grasland, hakhout en bosch, gelegen in de buurschap Langelo, nabij den grintweg van Neede naar Haaksbergen”. Het huisperceel bestaande uit de kadastrale percelen sectie G nummers 962, 923, gedeeltelijk , 38, 20 gedeeltelijk, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 47, 45, 46, 18, 19 gedeeltelijk, 17 gedeeltelijk en 48, was totaal ruim 18 ha groot. Volgens de catalogus was het erve Wilderink verhuurd voor 270 gulden per jaar. Pachter Van Hummel op het erve Aaftink betaalde jaarlijks 470 gulden aan pacht. De veiling bij toeslag vond plaats op 28 oktober “Ten verzoeke en in tegenwoordigheid van den heer Willem Jacob Bitter, rentmeester wonende te Stad Delden, in hoedanigheid van mondelinge gemachtigde van den HoogGeboren Heer Frederik George Unico Willem Graaf Bentinck, grondeigenaar, wonende op het kasteel Weldam te Kerspel Goor, gemeente Markelo”. Hierbij werden ook de op de gronden staande bomen (eiken, dennen, wilgen en beuken) en vier percelen dennenbos (geschikt voor mijnhout) geveild.

Uiteindelijk werd de massa van de percelen (dus alles totaal) gekocht door textielfabrikant Gerrit Jan van Heek jr. te Enschede voor de som van 119.660 gulden. Ook kocht hij de houtgewassen voor 19.066 gulden. De familie van Heek was niet onbekend met de beide boerenerven, waarvan het Aaftink natuurlijk een buurerf is van het Assink. Ludwig van Heek, de oudere broer van Gerrit Jan en eigenaar van het Assink, had sinds mei 1895 een jachtcontract van Graaf Bentinck. Hiermee mocht hij jagen op de gronden van de erven Aaftink en Wilderink onder Haaksbergen. Het betrof circa 100 ha jachtgrond voor de tijd van 10 jaar voor 20 gulden pacht per jaar, Van Heek bleek De Wilder puur te hebben gekocht om te ruilen tegen strategische grond in en om landgoed Het Lankheet. De boerderij werd in 1922 dan ook geruild tegen gronden van de N.H.-diaconie, waarmee Van Heek de kern van zijn landgoed kon afronden. Het Aaftink was in 1919 inclusief bosgrond totaal 38 ha groot. Ten opzichte van 1832 was het (maar) 7 ha groter geworden. Deze groei zal veroorzaakt zijn door de markeverdeling van 1862.

Naar ligging, ontstaan, hoedanigheid en gebruiksdoel van landbouwgronden gaven landbouwers eeuwenlang namen aan hun akkers en velden, de zogenaamde veldnamen. De volgende veldnamen zijn van percelen van het Aaftink bekend: Boermansweide, van Hummelsstukke, Broak, Kolstee, Kempken, Lenderinkstukke, Bulten, Goarden, Kleine + Grote Roggeland, Peerdeweide, Nieje weide, Bokse, Varkensweide en Posten. Na de verandering van eigenaar in 1919 wijzigde ook de bewoning. De familie Van Hummel had de pacht opgezegd en vertrok in het najaar van 1920 naar de gemeente Lonneker. Jan Antonij van Hummel werd landbouwer op het erve Geessinkbroak in Usselo (nu omgeving Helmerzijde, Enschede). Vanaf december 1920 trad het tijdperk Groot Obbink aan op het Aaftink. De nieuwe pachter is Berend Groot Obbink (1870-1933), geboren te Vorden. Berend was niet onbekend in Haaksbergen en de buurschap Langelo. Zijn vader was in de periode 1881-1894 pachter geweest van het erve De Wilder en zou later pachter worden op het erve Vunderink in Mallem onder Eibergen. Berend was in 1898 gehuwd met Janna Willemina (Hanna) Pleiter uit Neede. Zij woonden aanvankelijk in Buurse, in de omgeving van de Haaksbergerweg bij het erve Groot Rot van de familie Grootenhuis. Hier werden vijf kinderen geboren, waarvan er vier volwassen zouden worden. Berends jongere halfbroer Hendrik Groot Obbink kon in 1923 het erve Klein Lankheet (Lankheterweg 3) van de familie Van Heek pachten. Na het overlijden van Berend Groot Obbink volgde zijn zoon Johan Groot Obbink (1901-1975) hem als pachter van het Aaftink op. Hij was in 1923 gehuwd met Janna (Hanna) Pleiter uit Eibergen. Zij werden de ouders van vier kinderen, waarvan de oudste als baby overleed. Volgens een pachtcontract van boerderij het Aaftink uit 1940 verpachtte N.V. Lankheet, het erve Aaftink, groot circa 23 ha aan Johan Groot Groot Obbink voor 775 gulden per jaar. Deze huurprijs ging in op 1 november 1940. Johans zoon Gerrit Groot Obbink (1928-1988) werd de erfopvolger. Hij huwde in 1957 met Sina Hesselink (1924-2023) uit Buurse. Zij werden de ouders van dochter Jenny. Het Aaftink kende onder Groot Obbink een totale oppervlakte van 40 ha. Twintig ha cultuurgrond en de overige grond betrof bosgrond. Groot Obbink runde een gemengd bedrijf (koeien, kippen en behoorlijk wat varkens) en een deel van de grond was bestemd voor akkerbouw. In 1970 werd afscheid genomen van de varkensstapel en later ook van de kippen. Het Aaftink werd een melkveehouderij. Omdat Gerrit geen opvolger had werd de pacht in 1986 opgezegd. Het echtpaar Groot Obbink verhuisde dat jaar naar Buurse. Het eigendom van landgoed het Aaftink was in 1947 via schenking overgegaan naar de jongste dochter van Gerrit Jan van Heek, namelijk Jacoba (Coobje) van Heek (1921-2005) en haar echtgenoot Ferdinand Rouffaer (1912-1995), met wie ze in 1942 was gehuwd. Volgens de schenkingsakte bestond boerderij het Aaftink “uit huis met schuren, weiland, hooiland, bouwland, bos, hakhout en heide, uitmakende de kadastrale percelen der gemeente Haaksbergen, Sectie G nummers 17, 18, 19, 20, 21, 22, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 962, 1053, 1064, 1078, 1122 en 923, samen groot 38 ha, 87 aren 80 ca.”. Na het vertrek van de familie Groot Obbink in 1986 werd het echtpaar Griesen-Pleiter de nieuwe pachter op het Aaftink. Zij runden hier ruim 35 jaar een melkrundveehouderij met jongvee. In het voorjaar van 2023 kwam er ook een einde aan het tijdperk Griesen op het Aaftink en maakten de familie Stokkers samen met de coöperatie Noaberboeren hun opwachting. Zij zetten de lijn voort van ruim 5 eeuwen boeren op de oude cultuurgrond van het Aaftink. Gertjan en Sabine Stokkers-Stegeman gaan de boerderij het Aaftink, die ze in april 2023 kochten van de familie Griesen, bewonen met hun drie jonge dochters Suze, Bente en Noa.

Tekst: Eric Ooink
Categoriën: Landgoed, Het Lankheet
Labels: noaberboeren, Het Aaftink